Rechtsherstel homoseksuelen 2e wereldoorlog

Advies van de Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog
uitgebracht aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
 
december 2002
 
Voorgeschiedenis

Naar aanleiding van het verschijnen van de eindrapporten van een viertal commissies die in opdracht van het kabinet onderzoek verrichtten op het terrein van tegoeden Tweede Wereldoorlog, heeft het kabinet besloten een gebaar te maken naar een aantal onderscheiden groepen van vervolgingsslachtoffers.
 
In de brief van het Kabinet aan de Tweede Kamer van 21 maart 2000 is in de inleiding een achtergrondschets gegeven: "De afgelopen jaren is de nationale en internationale aandacht gegroeid voor het grote leed dat vervolgingsslachtoffers tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. De ontberingen van de Tweede Wereldoorlog hebben bij de getroffenen ernstige pijn veroorzaakt, pijn die tot op de dag van vandaag voelbaar is. De Nederlandse samenleving als geheel was zwaar getroffenen, sommige groepen daarbinnen onevenredig zwaar. De Tweede Wereldoorlog heeft tot onherstelbare schade geleid in de verschillende gemeenschappen van vervolgingsslachtoffers. Daar is lange tijd binnen de Nederlandse samenleving te weinig begrip voor getoond. De maatschappelijke aandacht voor vervolgingsslachtoffers nam toe vanaf 1970. De totstandkoming in 1972 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 is een erkenning van het leed en van de bijzondere solidariteit met deze groepen, en een uiting van de verantwoordelijkheid van de overheid [die deze] dienaangaande voelt. Vervolgingsslachtoffers hebben te zeer alleen hun verdriet moeten dragen. In elke discussie over dit onderwerp kwam dit de afgelopen jaren naar voren. Met de inzichten en de ogen van nu terugkijkend op de jaren na de Tweede Wereldoorlog stelt de regering vast dat velen in de Nederlandse samenleving, zij die beleidsverantwoordelijkheid droegen niet uitgezonderd, daar lange tijd niet voldoende aandacht voor hadden." (Kamerstukken II, 1999/2000, 25839, nr. 13, bijlage 1)
 
De reden voor het maken van een gebaar naar vervolgingsslachtoffers heeft niet direct te maken met het onnoemlijke leed dat zij hebben ondergaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de regeringsreactie in de brief van 21 maart 2000 is opgenomen: "Na de Tweede Wereldoorlog is naar vermogen getracht een ieder zoveel mogelijk in zijn of haar rechten te herstellen. Dat is, zo geven de rapporten aan, in redelijke mate gelukt. Dat neemt niet weg dat erkend moet worden dat het rechtsherstel bezien met de ogen van nu met meer begrip uitgevoerd had kunnen en moeten worden. Sommige gehanteerde procedures moeten nu als formalistisch, bureaucratisch en zelfs kil worden getypeerd. Op een enkel punt zijn deze in strijd met de toen geldende regelgeving geweest."
 
Vanwege de gebreken in het naoorlogs rechtsherstel heeft het kabinet aan de joodse gemeenschap, de Sinti en Roma en de Indische gemeenschap bedragen ter beschikking gesteld voor individuele uitkeringen, collectieve doelen en historisch onderzoek.
 
De regeringsreactie wordt beëindigd met een opmerking over andere groepen vervolgingsslachtoffers: "Gezien de opdracht aan de commissies is in de onderzoeksrapporten geen aandacht besteed aan andere groepen vervolgingsslachtoffers (onder andere homosexuelen, Jehova-getuigen, politieke gevangenen, verzetsdeelnemers). De regering zal nagaan in hoeverre nadere geschiedschrijving noodzakelijk en mogelijk is."
 
Dat laatste is gebeurd. De regeringsreactie heeft geresulteerd in overleg met het Breed Homo/Lesbisch Platform, als vertegenwoordiging van de homoseksuelen gemeenschap in Nederland. Dit overleg heeft vervolgens geresulteerd in het kabinetsbesluit van 8 februari 2001 om een bedrag van 1.588.231 Euro (3,5 miljoen gulden) beschikbaar te stellen om leemtes in de geschiedschrijving in te vullen: met het Breed Homo/Lesbisch Platform is afgesproken het geld te besteden voor een aantal onderzoeken ter aanvulling op reeds bestaande studies over de positie van homoseksuelen in Nederland in de periode tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, de reconstructie van de bibliotheek van Schorer en het treffen van voorziening om de onderzoeksresultaten en de bibliotheek toegankelijk te maken.
 
2. Adviescommissie
 
Het kabinet heeft tegelijk met het besluit om 1.588.231 Euro beschikbaar te stellen besloten een onafhankelijke commissie in te stellen. De Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog is op 13 november 2001 door de Minister van VWS ingesteld (Stct. 15 november 2001, nr. 222. bijlage 3). De commissie is gevraagd aan de minister voorstellen doen over de uitvoering van het beleid. Het beleid bestaat uit drie onderdelen:

  • Nader onderzoek naar de positie van homoseksuelen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog;
  • de reconstructie van de Schorerbibliotheek;
  • het treffen van een voorziening om de onderzoeksresultaten, de bibliotheek en ander cultureel erfgoed toegankelijk te maken.
    De commissie ging hierbij overeenkomstig het instellingsbesluit uit van de voorstellen die namens het Breed Homo/Lesbisch Platform zijn gedaan en beschreven door prof. dr. R. Tielman en mw. dr. J. Schuijf in de notitie "Materieel rechtsherstel homoseksuelen" van 17 november 2000. Daarbij doet de commissie een suggestie voor de verdeling van het beschikbare budget over de drie onderdelen van het beleid.
     
    De taak van de commissie heeft betrekking op het geven van advies over zowel historisch onderzoek als over cultureel erfgoed. De commissie is zo samengesteld dat deskundigheid op deze terreinen aanwezig is.
     
    In de commissie hebben de volgende personen zitting:
     
    voorzitter: de heer drs. P. Lankhorst
  • adviseur jeugdbeleid jeugdzorg
  • voormalig lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
    leden: de heer J.J.L.M. Kloosterman
  • directeur Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG)
    de heer drs. C. van 't Veen
  • directeur Fries Museum en Princessehof te Leeuwarden
    secretaris : de heer mr. B. Bijl
plv. projectcoördinator Projectbureau Tegoeden Tweede Wereldoorlog, Ministerie van VWS
Mevrouw mr. A.C.M. Proost en mevrouw J. Zwiers, beiden verbonden aan het Ministerie van VWS, traden op als respectievelijk waarnemer en plaatsvervangend secretaris.
 
3. Werkwijze
 
In artikel 1 van het instellingsbesluit van de commissie is omschreven welke opdracht het heeft in het kader van het beleid tot rechtsherstel van homoseksuele vervolgingsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (bijlage 3). De commissie is bevoegd de eigen werkwijze vast te stellen. De commissie is vanaf het moment van zijn instelling regelmatig bijeengekomen om de voorstellen te bespreken. Ten behoeve van de uitwerking en beoordeling van de voorstellen heeft de commissie overlegd met het Breed Homo/Lesbisch Platform en het Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief (IHLIA, dat deel uitmaakt van het platform). Verder is ten behoeve van de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen op deelonderwerpen advies gevraagd van specifiek deskundigen.
 
4. Beoordeling van de voorstellen
 
De commissie heeft als opdracht gekregen de eerder genoemde voorstellen van het Breed Homo/Lesbisch Platform te toetsen op kwaliteit, noodzaak en uitvoerbaarheid.
 
4.1 Nader onderzoek
 
Lopende het traject heeft overleg met het Breed Homo/Lesbisch Platform over de onderzoeksvoorstellen geleid tot wijzigingen in de oorspronkelijke voorstellen. Bij alle voorstellen is in ieder geval nog eens kritisch gekeken naar opzet, inhoud en begroting, wat in een aantal gevallen tot aanpassingen heeft geleid.
 
Het Breed Homo/Lesbisch Platform heeft het voorstel voor onderzoek naar de lotgevallen van Nederlandse homoseksuelen in Duitse kampen ingetrokken, omdat er niet voldoende materiaal beschikbaar is voor een gedegen onderzoek. In de kampen zaten namelijk geen Nederlandse homoseksuelen met een roze driehoek. Degenen die er zaten, zijn in de kampen terechtgekomen om een andere reden dan hun homoseksualiteit. Bovendien is er een gebrek aan kampadministratie. Van de administratie die er wel was, is nog slechts circa 50% overgebleven. De administratie van Neuengamme bijvoorbeeld is volledig vernietigd. De commissie deelt de conclusie van het Breed Homo/Lesbisch Platform dat het project niet uitvoerbaar is.
 
De door het Platform voorgestelde onderzoeken over de lotgevallen van veroordeelden op grond van Verordening 81/40 en het onderzoek naar de naoorlogse rechtspraktijk rond de toepassing van art. 248 van het Wetboek van Strafrecht zijn samengevoegd tot één onderzoek. De commissie meent dat het onderzoek in die vorm een goed dissertatieonderwerp kan zijn.
 
Van het voorstel over repressie van homoseksuelen is de reikwijdte verbreedt naar de beeldvorming over homoseksuelen na de Tweede Wereldoorlog.
 
De commissie richt zich in deze paragraaf op de thans voorliggende actuele onderzoeksvoorstellen.
 
Onderzoek naar de effecten van vervolging op grond van Verordening 81/40 en artikel 248 Wetboek van Strafrecht
 
Het onderzoek richt zich op een tweetal maatregelen die onder de bezettende macht tegen homoseksualiteit werden ingezet. Het betreft de vervolging van homoseksuelen op grond van de Verordening van de Rijkscommissaris tot Bestrijding van de tegennatuurlijke Ontucht 81/40 en de toepassing van het oude artikel 248 bis van het Wetboek van Strafrecht (WvS).
 
Op grond van criminele statistieken zijn er tussen 1940 en 1943 tenminste 138 rechtszaken geweest op grond van Verordening 81/40. Het aantal is vermoedelijk hoger, omdat de statistieken over 1944 en 1945 ontbreken en omdat aangenomen wordt dat een groot aantal (overwegend minderjarige) veroordeelden in andere rubrieken van de statistieken zijn opgenomen. Eerder promotieonderzoek heeft al aandacht aan deze vervolging besteed (Tielman 1982, Koenders 1996), maar er ontbreekt nog een volledig overzicht van aard en omvang ervan. Nieuw archiefonderzoek heeft het bestaan van nog niet onderzocht materiaal aannemelijk maakt.
 
Met het oude artikel 248 bis WvS was homoseksueel contact tussen zowel meerderjarigen als minderjarigen strafbaar gesteld. Eerder promotieonderzoek (Tielman 1982, Oosterhuis 1992, Schuijf 1994, Koenders 1996) heeft duidelijk gemaakt dat artikel 248 bis WvS een belangrijk onderdeel is geweest van de achterstelling van homoseksuelen tussen 1911 en 1971. Het Breed Homo/Lesbisch Platform meent dat nader onderzoek nodig is om de effecten te onderzoeken van de repressie tijdens de Tweede Wereldoorlog op de (naoorlogse) rechtspraktijk bij de vervolging van homoseksuelen op grond van artikel 248 bis WvS.
 
De te beantwoorden onderzoeksvragen zijn:
1. Hoeveel mensen zijn vervolgd op grond van verordening 81/40 en artikel 248 bis WvS;
2. welke effecten heeft de Tweede Wereldoorlog gehad op de vervolging van homoseksuelen op grond van Verordening 81/40 en artikel 248 bis WvS tijdens de bezetting;
3. welke effecten heeft de Tweede Wereldoorlog gehad op de vervolging van homoseksuelen op grond van artikel 248 bis WvS na de bezetting tot aan het moment van afschaffing van artikel 248 bis;
4. wat zijn de verschillen in vervolging tijdens de bezetting tussen Verordening 81/40 en artikel 248bis WvS.
 
De commissie meent dat het onderzoek relevant lijkt binnen het kader waarvoor de gelden beschikbaar zijn gesteld en dat de noodzaak van het onderzoek voldoende is aangetoond. In het voorstel worden de juiste onderzoeksvragen gesteld. Conform het voorstel van het Breed Homo/Lesbisch Platform meent de commissie dat de kwaliteit en de uitvoerbaarheid van het onderzoek wordt vergroot door de toepassing van zowel artikel 248 bis WvS als Verordening 81/40 in één onderzoek te vatten. Het voorstel vergt echter nadere uitwerking van de probleem- en doelstelling, mede vanwege de samenvoeging van oorspronkelijk twee onderzoeken. Om die uitwerking goed mogelijk te maken lijkt het adequaat eerst een onderzoeker aan te trekken. De commissie meent dat het onderzoek zich leent voor een dissertatie. Een onderzoeker in opleiding (OIO) kan dan een rol in het onderzoek krijgen. Bij de nadere uitwerking dient rekening te worden gehouden met de geschatte tijdbesteding en de daarmee samenhangende begroting. De commissie adviseert voor het onderzoek een bedrag van maximaal 200.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
Boek over homoseksuelen en lesbiennes in het verzet
 
Het voorstel behelst een boek waarin in verschillende artikelen de relatie tussen persoonlijke identiteit, politieke overtuiging, seksualiteit en verzet gedurende de Tweede Wereldoorlog wordt gethematiseerd. Met het boek wordt beoogd tot een nadere afbakening te komen van de vraag welke motieven een rol hebben gespeeld bij de verzetsdeelname van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen, en wat de betekenis daarvan is geweest. Hiermee kan een genuanceerde bijdrage worden geleverd aan de discussie over homoseksuelen als slachtoffers, helden en/of daders in de Tweede Wereldoorlog; over de invloed van persoonlijke overwegingen versus nationalisme; en over beelden ten aanzien van mannelijkheid en vrouwelijkheid in het verzet.
 
De te beantwoorden onderzoeksvragen zijn:
1. Wat waren de feitelijke verzetsactiviteiten en wat was de afloop ervan;
2. welke betekenis heeft het verzet voor betrokkene;
3. welke overwegingen hebben ten grondslag gelegen aan het besluit in verzet te gaan;
4. welke relatie bestaat er tussen persoonlijke identiteit, seksualiteit en de verzetservaringen.
 
De commissie meent dat het onderzoek, resulterend in een boek, goed aansluit bij het doel waarvoor het kabinet een bedrag beschikbaar heeft gesteld. In het voorstel worden relevante onderzoeksvragen gesteld. Het voorstel draagt de titel: "Keuze of noodzaak: interactie van (homo)seksualiteit en verzet". In de uitwerking van het voorstel is een koppeling met de Tweede Wereldoorlog gemaakt. Die koppeling met de Tweede Wereldoorlog moet terug komen in de titel van het boek. De commissie meent dat voor de keuze van de uitgever verschillende offertes gevraagd moeten worden. De distributiekanalen waarover de uitgever beschikt zou een beoordelings-criterium moeten zijn.
 
De commissie adviseert, op basis van een aangepaste begroting, een bedrag van maximaal 34.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
Biografie over Benno Premsela
 
Benno Premsela is een belangrijke figuur in de Nederlandse homobeweging geweest. Voorgesteld wordt om over hem een biografie te schrijven.
 
De te beantwoorden onderzoeksvragen zijn:
1. Welke rol heeft de Tweede Wereldoorlog en het onderduiken van Benno Premsela gespeeld bij zijn naoorlogse activiteiten, in het bijzonder in de homobeweging;
2. welke samenhang bestaat er tussen zijn activiteiten in de homobeweging enerzijds en zijn overige activiteiten anderzijds.
 
De commissie onderkent het belang van Benno Premsela in de homobeweging. De commissie heeft overwogen dat een hoog bedrag gevraagd wordt, terwijl er al een recente biografie is. Daarin is echter niet of ondergeschikt aandacht besteed aan de Tweede Wereldoorlog, zijn homoseksualiteit en zijn rol in de homobeweging. De commissie meent daarom dat hier sprake is van een leemte in de geschiedschrijving. De tweede onderzoeksvraag is te ruim gezien het kader waarvoor het kabinet geld beschikbaar heeft gesteld. Vanwege het bestedingskader dient in deze biografie de nadruk te worden gelegd op de relatie met de Tweede Wereldoorlog.
Gesignaleerd wordt dat de onderzoeker niet voltijds ingezet kan worden. De commissie adviseert bij de opdrachtverlening voor het onderzoek de voorwaarde te stellen dat het binnen maximaal 3 jaar afgerond dient te zijn.
In het onderzoeksvoorstel wordt melding gemaakt van het ordenen van het materiaal in het gemeentearchief van Amsterdam, waarvoor een bedrag van 30.000 Euro benodigd zou zijn. Het ordenen van archiefmateriaal is een verantwoordelijkheid van het gemeentearchief zelf. De commissie gaat er daarom vanuit dat het daarvoor benodigde geld niet ten laste komt van het door het kabinet beschikbaar gestelde bedrag.
De commissie meent dat voor de keuze van de uitgever verschillende offertes gevraagd moeten worden. De distributiekanalen waarover de uitgever beschikt zou een beoordelings-criterium moeten zijn.
 
De commissie adviseert voor de biografie een bedrag van maximaal 110.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
Biografie over Schorer
 
Jonkheer dr. J.A. Schorer was van 1911 tot 1940 voorzitter van het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee, wat te beschouwen is als de voorloper van het huidige COC. Het Ministerie van VWS heeft bij de verdeling van de zogenoemde vierde tranche goudpool in 1999 reeds een subsidie verstrekt voor het schrijven van de biografie over jonkheer Schorer. Er is reeds veel onderzoek verricht door een aantal vrijwilligers. Voor het op kwalitatief niveau afronden van de biografie is het nodig om een historicus aan te trekken. De van VWS ontvangen subsidie is onvoldoende om de daaraan verbonden loonkosten te dekken. Het nu gevraagde bedrag heeft tevens betrekking op de extra kosten voor aanvullend onderzoek en een bredere opzet van het boek.
 
Het schrijven van een biografie over jonkheer Schorer past binnen de doelstelling van de beschikbaar gestelde gelden. De commissie meent dat het van belang is om de biografie over een voor de homobeweging zo belangrijke persoon op hoog kwalitatief niveau af te ronden. Het schrijven van een biografie over deze persoon is des te meer op zijn plaats indien, conform ons advies, een bijdrage wordt geleverd aan de reconstructie van de bibliotheek van jonkheer Schorer.
 
De commissie adviseert voor de biografie een bedrag van maximaal 48.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
Overzichtsboek vervolging homoseksuelen in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog
 
Het voorstel betreft het maken van een bewerkte vertaling van het Duitse boek: "National-sozialistischer Terror gegen Homosexuelle", verschenen onder redactie van prof. dr. R. Lautman en dr. B. Jellonek (Berlijn 2002). In dit boek wordt een 'up to date' overzicht gegeven van de stand van zaken van onderzoek naar de theorie en praktijk van de nazi terreur tegen homoseksuelen in Europa.
 
Het boek "National-sozialistischer Terror gegen Homosexuelle" is van een zodanige kwaliteit dat een vertaling zeker als nuttig aangemerkt kan worden. De commissie meent dat het voor de completering van de geschiedschrijving van belang is om het boek, waarin nieuwe feiten uit archiefonderzoek van de laatste jaren worden gepresenteerd, in een op de Nederlandse situatie toegespitste en voor een groot publiek toegankelijke bewerking beschikbaar komt.
 
De commissie adviseert voor het onderzoek een bedrag van maximaal 46.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
Onderzoek naar (gedwongen) castraties
 
Eerder promotieonderzoek (Tielman 1982, Oosterhuis 1992, Koenders 1996) heeft al gewezen op de castraties van homoseksuelen, maar een volledig overzicht ontbreekt nog. Volgens cijfers van het Ministerie van Justitie hebben er tussen 1938 en 1968 ongeveer 400 chirurgische castraties plaatsgevonden. Onduidelijk is nog hoe vaak dit ook buiten het Ministerie van Justitie om is gebeurd. Het is mogelijk dat degenen die onder druk van omgeving en arts zelf tot castratie besloten tot andere groepen behoorden dan degenen die in Avereest of Heiloo aan de operatie werden onderworpen. Ook ontbreken in de psychiatrische gevalsbeschrijvingen doorgaans de opvattingen van de gecastreerden zelf. Dit is te ondervangen door middel van interviews met nog levende gecastreerden. Aldus het Breed Homo/lesbisch Platform.
 
De te beantwoorden onderzoeksvragen zijn:
1. Hoeveel homoseksuelen zijn gecastreerd voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog;
2. welke overwegingen bij de autoriteiten hebben ertoe geleid dat er over gegaan is tot castratie;
3. welke beslismomenten/keuzes/dwang bestonden er bij de homoseksuelen bij het al dan niet ondergaan van castratie;
4. wat zijn de effecten van oorlog en bezetting op de reeds bestaande uitvoeringspraktijk van castraties;
5. kwamen sommige groepen homoseksuelen eerder voor castratie in aanmerking dan andere en zo ja, wat was daarvan de achtergrond;
6. wat zijn de lotgevallen geweest van de betrokken homoseksuelen rond deze castraties;
7. welke effecten hebben deze castraties gehad op de rest van hun levens.
 
De commissie meent dat het onderzoek relevant lijkt binnen het kader waarvoor de gelden beschikbaar zijn gesteld en dat de noodzaak van het onderzoek voldoende is aangetoond. Het project vergt nadere uitwerking van de probleem- en doelstelling. Om die uitwerking goed mogelijk te maken zal allereerst een onderzoeker aangezocht moeten worden. Uitgegaan wordt van de inzet van een onderzoeker voor 20 maanden. De commissie acht deze inschatting van de tijdbesteding en het daarmee samenhangende bedrag reëel.
 
De commissie adviseert daarom een bedrag van maximaal 120.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
Onderzoek naar de beeldvorming over homoseksualiteit in de Tweede Wereldoorlog en daarna
 
Het Breed Homo/Lesbisch Platform schrijft dat uit vooronderzoek door dr. J. Schuijf is gebleken dat er sinds de jaren zestig regelmatig kritiek is uitgeoefend op de rol van onderzoeks-instellingen, universiteiten, media, politieke partijen en overheid bij het (niet) onderzoeken van repressie van homoseksuelen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het is, aldus het platform, in het belang van alle betrokkenen dat hierover op een zo objectief mogelijke wijze helderheid wordt verschaft.
 
De te beantwoorden onderzoeksvragen zijn:
1. Hoe is de repressie van homoseksuelen tijdens en na de Tweede wereldoorlog in beeld gebracht (of juist niet) door de verschillenden onderzoeksinstellingen, universiteiten, homo/lesbische beweging, media, politieke partijen en overheid;
2. welke ontwikkelingen zijn daarin te onderkennen hoe een en ander bespreekbaar is geworden;
3. welke verklaringen kunnen worden gegeven voor de gevonden resultaten.
 
De commissie onderschrijft het belang van het onderzoek en de te stellen onderzoeksvragen. In aanloop naar bovenstaande omschrijving van het onderzoek werd door het Breed Homo/Lesbisch Platform nog een beperkter onderzoek voorgestaan dat uitsluitend betrekking had op een enkele onderzoeksinstelling.
 
De commissie meent dat het onderzoek aan waarde wint nu het is uitgebreid naar de wijze waarop in de samenleving is gereageerd op de positie van homoseksuelen in relatie tot de Tweede Wereldoorlog en hun hedendaagse positie. Het onderzoek zou dan een ontwikkeling laten zien naar hoe homoseksualiteit in een periode van 50 jaar bespreekbaar is geworden, uitlopend op een herdenkingsmonument in Amsterdam. Het onderzoeksvoorstel is dienovereenkomstig aangepast. De begroting gaat echter nog uit van de inzet van een onderzoeker voor de periode van 11 maanden en een daarbij passende begroting van 68.067 Euro. De commissie schat in dat voor een kwalitatief hoogwaardig onderzoek een inzet van 20 maanden reëel is. De begroting dient daarop aangepast te worden.
Het is van belang dat bij het starten van het onderzoek een breed samengestelde begeleidings-commissie wordt geïnstalleerd, waarin betrokken partijen zoals onderzoeksinstellingen en vertegenwoordigers van de homo/lesbische gemeenschap.
De oorspronkelijke titel van het onderzoek, "Onderzoek naar repressie van homoseksuelen", dekt de lading niet meer en dient daarom aangepast te worden.
 
De commissie adviseert voor het onderzoek een bedrag van maximaal 200.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
Boek over het homomonument in Amsterdam
 
Het voorstel betreft het uitgeven van een boek over de geschiedenis van het tot stand komen en het functioneren van het homomonument in Amsterdam. Dit kan worden gezien als een belangrijke indicatie van de houding van de Nederlandse overheid en maatschappij in de naoorlogse periode inzake de repressie van homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
 
De commissie onderschrijft het belang van het boek over het homomonument in Amsterdam. Voor dergelijk wetenschappelijk onderzoek is het vaak minder moeilijk om het benodigde geld beschikbaar te krijgen dan voor boeken als deze met een populaire opzet en uitvoering. Juist daarom is een bijdrage in dit kader voor het uitgeven van het boek op zijn plaats.
 
De commissie adviseert voor de uitgave van het boek een bedrag van maximaal 40.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
4.2 Reconstructie Schorerbibliotheek
 
Fysieke en virtuele reconstructie van de Schorerbibliotheek.
 
De Duitse bezetter heeft aan het begin van de Tweede Wereldoorlog de bibliotheek van jonkheer Schorer in beslag genomen en naar alle waarschijnlijkheid vernietigd. De bibliotheek was uniek in zijn samenstelling. Dankzij de bewaard gebleven catalogus van de Schorer-bibliotheek kan de grote betekenis van de collectie worden vastgesteld. Een vergelijkbare collectie, de bibliotheek van dr. Hirschfeld, voorzitter van het Duitse Wissenschäftlich Humanitäres Komitee, werd in 1933 door de nazi's grotendeels in het openbaar verbrand.
 
Er is, met subsidie van het Ministerie van VWS, al een start gemaakt met de reconstructie. Daarbij is duidelijk geworden dat het bewaard gebleven deel van de bibliotheek veel kleiner is dan aanvankelijk werd gedacht. Er is daarom meer tijd en geld nodig om de doelstelling te bereiken.
 
Voor de fysieke reconstructie van de bibliotheek moet een deel van de boeken die reeds beschikbaar zijn worden gerestaureerd en moeten boeken die nog aan de collectie ontbreken worden aangeschaft. Waar dit niet mogelijk of te kostbaar is kunnen digitale kopieën worden gemaakt om de collectie te completeren. Deze zouden via internet voor eenieder beschikbaar gesteld kunnen worden, waardoor de toegankelijkheid wordt vergroot.
 
Gezien het unieke karakter, de geschiedenis en de inhoudelijke waarde van de bibliotheek van jonkheer Schorer meent de commissie dat het van cultureel belang is de collectie te reconstrueren en voor een breed publiek toegankelijk te maken. Gelet op de wijze waarop tot nu toe is gewerkt gaat de commissie er vanuit dat het project uitvoerbaar is en met een bijdrage uit het door het kabinet beschikbaar gestelde bedrag kan worden afgerond. De commissie adviseert voor dit project een bedrag van maximaal 128.000 Euro beschikbaar te stellen.
 
4.3 Huisvesting documentatie- en informatiecentrum
 
Een van de opdrachten van de commissie is u te adviseren over de vormgeving, organisatie, locatie en financieringsmogelijkheden van een voorziening waarmee ten minste de onderzoeksresultaten, de publicaties en het gereconstrueerde erfgoed voor publiek toegankelijk wordt gemaakt en daarbij de mogelijkheid te bezien van een combinatie met Ihlia. De commissie is van mening dat Ihlia een belangrijk deel van het geheugen is in de geschiedschrijving van de homo- en lesbische gemeenschap. De commissie wil het belang benadrukken van een goede, centrale vestigingsplaats teneinde een optimaal publiekbereik te bewerkstelligen.
 
Bij brief van 15 juli 2002 heeft Ihlia aan de commissie geschreven dat de gemeente Amsterdam in principe positief is over een mogelijke huisvesting van het Homodok en haar collectie (onderdeel van Ihlia) in hetzelfde pand als het Gemeentearchief van Amsterdam. Het gemeentearchief verhuist naar verwachting eind 2004 naar een andere locatie in het centrum van Amsterdam, namelijk gebouw De Bazel aan de Vijzelstraat. Het Gemeentearchief heeft daar ruimte over voor andere organisaties. Ihlia heeft B&W van Amsterdam verzocht de mogelijkheid van huisvesting in het nieuwe pand van het gemeentearchief van Amsterdam te onderzoeken. De commissie is enthousiast over deze mogelijkheid voor Ihlia om huisvesting te krijgen op een centrale locatie in Amsterdam. Ihlia zou dan de beschikking krijgen over goede faciliteiten. De collectie sluit bovendien goed aan bij de documenten en ander materiaal over homoseksualiteit dat in het gemeentearchief is te vinden. Deze huisvesting biedt tevens de mogelijkheid om in eigen huis exposities te realiseren.
 
Het is de commissie bekend dat de afdeling van Ihlia in Leeuwarden niet optimaal kan functioneren op de huidige locatie.
 
De commissie vindt het te vroeg om nu al een advies uit te brengen over de bestemming van een financiële bijdrage. De commissie adviseert daarom Ihlia te vragen na te denken over een exacte bestemming en daarvoor een reëel voorstel te doen dat ten doel heeft het publieksbereik te optimaliseren ten aanzien van het hiervoor genoemde. Daarvoor zou u een bedrag van maximaal 662.231 Euro kunnen reserveren als een bijdrage in de investeringskosten. In het najaar van 2003 kan dan worden bezien waaraan een bijdrage geleverd kan worden.
 
5. Samenvatting van het advies
 
De commissie adviseert samenvattend de volgende verdeling van het beschikbare bedrag:
 
Onderzoek naar de effecten van vervolging op grond van Verordening 81/40 en artikel 248 Wetboek van Strafrecht
bedrag: maximaal 200.000 Euro
 
Boek over homoseksuelen en lesbiennes in het verzet
bedrag: maximaal 34.000 Euro
 
Biografie over Benno Premsela
bedrag: maximaal 110.000 Euro
 
Biografie over Schorer
bedrag: maximaal 48.000 Euro
 
Overzichtsboek vervolging homoseksuelen in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog
bedrag: maximaal 46.000 Euro
 
Onderzoek naar (gedwongen) castraties
bedrag: maximaal 120.000 Euro
 
Onderzoek naar de beeldvorming over homoseksualiteit in de Tweede Wereldoorlog en daarna
bedrag: maximaal 200.000 Euro
 
Boek over het homomonument in Amsterdam
bedrag: maximaal 40.000 Euro
 
Fysieke en virtuele reconstructie van de Schorerbibliotheek
bedrag: maximaal 128.000 Euro
 
Huisvesting documentatie- en informatiecentrum
reservering: maximaal 662.231 Euro
 
Zoals in hoofdstuk 4 aangegeven is een aantal onderzoeksvoorstellen nog onvoldoende uitgewerkt. De commissie adviseert niettemin geld voor deze onderzoeken beschikbaar te stellen. Dat biedt de mogelijkheid om de komende periode voor de desbetreffende onderzoeken onderzoekers te vinden en in overleg met hen de voorstellen uit te werken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de vraag bij wie de uitvoering van de onderzoeken ondergebracht wordt en met de samenstelling van begeleidings-commissies. Een begeleidingscommissie lijkt bij alle onderzoeken gewenst. Voorts ziet de commissie graag dat de onderzoeken mogelijkheden bieden voor jonge onderzoekers, waardoor er sprake is van vernieuwing op een terrein waar al vele jaren, om uiteenlopende redenen, weinig nieuwe onderzoekers zijn betrokken.
De commissie adviseert dat de vorderingen in het najaar van 2003 worden bezien en dat op basis daarvan definitief wordt beoordeeld of de onderzoeken op de voorgestelde wijze doorgang kunnen vinden, dan wel of ze moeten worden aangepast. De commissie is bereid die beoordeling op zich te nemen en u daarover te adviseren. Het is verstandig om op dat moment ook te bezien of de samenstelling van de commissie nog steeds passende is.
 

Reactie Staatssecretaris VWS, Clémence Ross-van Dorp
aan de Tweede Kamer der Staten Generaal
 
27 maart 2003
 
Op 4 februari 2003 heeft de Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog mij advies uitgebracht. Diezelfde dag heb ik u het rapport toegezonden en u toegezegd dat ik u later zal informeren over mijn standpunt naar aanleiding van het advies.
 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn homoseksuelen vervolgd en gevangen gezet wegens overtredingen van de Verordening van de Rijkscommissaris tot Bestrijding van Tegennatuurlijke Ontucht 81/40 en het oude artikel 248 bis van het Wetboek van Strafrecht, waarmee homoseksueel contact strafbaar was gesteld. Verder is er sprake geweest van gedwongen castraties. Tot nu toe is er onvoldoende onderzoek verricht naar omstandigheden, effecten en gevolgen van homovervolging in Nederland in de oorlogsjaren. Dat geldt evenzeer voor de rol van homoseksuelen in het verzet.
 
Het belang van de onderzoeken behelst meer dan alleen volledige geschiedschrijving. Het verkrijgen van inzicht in het verleden is in grote mate van invloed op ons hedendaags handelen. Niet alleen de reeds genoemde onderzoeken kunnen daaraan een belangrijke bijdrage
leveren, maar ook de biografieën over Benno Premsela en Jacob Schorer, een bewerking van een Duitse studie over de vervolging van homoseksuelen door het nazi-regime en een uitgave over het homo-monument in Amsterdam. Van bijzonder belang is een onderzoek naar de beeldvorming over homoseksualiteit in de Tweede Wereldoorlog tot en met de plaatsing van het homo-monument.
 
Daarom neem ik het advies van de commissie over om in de leemtes in de geschiedschrijving te voorzien. Mogelijk zullen de onderzoeksvragen niet exact dezelfde zijn als de onderzoeksvragen die in het rapport zijn genoemd. Voor enkele meerjarige wetenschappelijke onderzoeken
zullen allereerst onderzoekers worden aangetrokken, zodat in overleg met hen de precieze onderzoeksopdrachten geformuleerd kunnen worden. De onderzoeksresultaten zullen laagdrempelig toegankelijk moeten zijn en zo mogelijk voor educatieve doeleinden ingezet
moeten kunnen worden. Ook de financiële onderbouwing van de onderzoeken is van belang, omdat er sprake is van een eenmalig te verdelen bedrag.
 
De commissie heeft in zijn advies opgenomen dat het graag ziet dat de onderzoeken mogelijkheden bieden voor jonge onderzoekers, waardoor er sprake is van vernieuwing op een terrein waar al vele jaren weinig nieuwe onderzoekers zijn betrokken. Dat advies onderschrijf
ik van harte. Ik zal me er dan ook voor inzetten dat aan dit advies gevolg gegeven zal woden. Vanzelfsprekend zal ik daarbij niet voorbij gaan aan de zeer uitgebreide deskundigheid die aanwezig is bij degenen die zich al langer op dit onderzoeksgebied bewegen.
 
Ten behoeve van de meerjarige onderzoeken zal ik een begeleidingscommissie installeren die de voortgang bij zal houden. Namen van onderzoekers en instanties die erbij betrokken zullen worden, zijn nu nog niet bekend.
 
Mijn ministerie heeft al eerder een bijdrage geleverd aan de reconstructie van de bibliotheek van Jacob Schorer. Schorer was tussen 1911 en 1940 de voorzitter van het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee, die met wetenschappelijke publicaties vervolging en sociale uitsluiting van homoseksuelen probeerde te beëindigen. Zijn bibliotheek werd door de nazi’s grotendeels vernietigd. Het completeren van de bibliotheek is van cultureel historische waarde. Bovendien kan het materiaal gebruikt worden voor de verschillende te starten onderzoeken.
 
De commissie heeft opdracht gekregen mij te adviseren over de vormgeving, organisatie en financieringsmogelijkheden van een voorziening waarmee ten minste de onderzoeksresultaten, de publicaties en het gereconstrueerde erfgoed voor publiek toegankelijk wordt gemaakt en daarbij de mogelijkheid te bezien van een combinatie met het Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief (IHLIA). De commissie is van mening dat IHLIA een belangrijk deel van het geheugen is in de geschiedschrijving van de homo- en lesbische gemeenschap. Het belang van een centrale vestigingsplaats ten behoeve van optimaal publieksbereik onderschrijf ik. De commissie heeft geadviseerd een bedrag beschikbaar te stellen ten behoeve van het documentatie- en informatiecentrum. Ik zal hiervoor een éénmalig
bedrag beschikbaar stellen. In overleg met de gezamenlijke subsidiënten ontwikkelt IHLIA een meerjarenplan, waarin ook structurele financiering - door anderen dan VWS - van de plannen een belangrijke plaats zal moeten innemen. Projectvoorstellen die in die meerjarenplanning
passen en een link hebben met de Tweede Wereldoorlog kunnen in aanmerking komen voor projectsubsidiëring uit de in het kader van het naoorlogs rechtsherstel beschikbaar gestelde gelden.
 
De in het rapport van de Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog opgenomen adviezen neem ik op hoofdlijnen over. Ten aanzien van de in het rapport genoemde bedragen en de exacte inhoud van genoemde voorstellen maak ik een voorbehoud. Een aantal van de onderzoeken en projectvoorstellen vereist nog een nadere uitwerking. Eén en ander moet natuurlijk passen binnen de beschikbare middelen (éénmalig 1.588.231 Euro) en de in het rapport genoemde bedragen. Ik zal er echter op toezien dat de onderzoeken en projecten zo spoedig mogelijk van start kunnen gaan.
 
De Staatssecretaris van Volksgezondheid,Welzijn en Sport,
drs. Clémence Ross-van Dorp